In het Europees Referentiekader worden veertien kwalitatieve categorieën beschreven die relevant zijn voor het beoordelen van de gespreksvaardigheid:
De interactie met de gesprekspartner:
Beurtstrategieën
Samenwerkingsstrategieën
Vragen om toelichting- De uitspraak:
Vloeiendheid
Fonologische beheersing - Flexibiliteit
- Coherentie
- Thematische ontwikkeling
- Nauwkeurigheid
- Sociolinguïstische competentie
- Algemeen repertoire
- Omvang van woordenschat
- Beheersing van woordenschat
- Grammaticale correctheid
Een talensectie of docent zal zich in de praktijk beperken tot een clustering van de in Taalprofielen genoemde criteria:
- woordenschat en woordgebruik
- grammaticale correctheid
- interactie (hoe actief is de deelname aan het gesprek?)
- vloeiendheid
- coherentie (hoe samenhangend is het betoog?)
- uitspraak
Deze criteria kunnen vervolgens naar behoefte van een weging worden voorzien in de vorm van rubrics.
Voor meer praktische informatie over rubrics zie de knop in de linkermenubalk.
Verschillende voorbeeldmodellen
Voorbeeld 1: Leeg format: beoordeling gespreksvaardigheid met rubrics en ERK-criteria (bron: SLO)
Voorbeeld 2: Beoordeling gespreksvaardigheid met rubrics en puntentoekenning A1-B2 (bron: APS)
Voorbeeld 3: Beoordeling volgens model Delf scolaire op ERK A1-niveau (bron: Delf scolaire)
Voorbeeld 4: Beoordeling met ERK-criteria in combinatie met 10-puntssysteem (bron: Revius Lyceum Doorn)
