Gesprekken voeren

gebitjes.png

Hoe en waarover voer ik gesprekken?

niveau-a1.png niveau-a2.png niveau-b1.png niveau-b2.png
Ik praat over onderwerpen die  eenvoudig en heel vertrouwd zijn en die gaan over dingen die ik nodig heb. Ik praat over onderwerpen die alledaags en vertrouwd zijn. Ik praat over onderwerpen die mijn persoonlijke belangstelling hebben of die gaan over het dagelijks leven, opleiding, werk of situaties tijdens een reis. Ik praat over algemene onderwerpen die wetenschappelijk of beroepsmatig van aard kunnen zijn.
Ik gebruik vooral (losse) woorden en eenvoudige uitdrukkingen. Ik gebruik veel voorkomende woorden en uitdrukkingen die ik uit het hoofd heb geleerd over onderwerpen die horen bij dit niveau. 
 Ik ken voldoende woorden om eventueel met behulp van omschrijvingen te praten over de onderwerpen op dit niveau. 
Ik ken voldoende woorden om duidelijke beschrijvingen te geven en meningen te verkondigen over de onderwerpen op dit niveau.
Ik gebruik een klein aantal eenvoudige grammaticale constructies en uitdrukkingen die ik uit mijn hoofd heb geleerd. Ik pas eenvoudige grammaticaregels toe maar maak daarbij ook nog veel fouten. Ik maak gebruik van veel voorkomende constructies en pas de basisgrammaticaregels behoorlijk goed toe. Ik kan ook meer ingewikkelde grammaticaregels redelijk correct gebruiken en herstel fouten vaak uit mezelf.
Ik heb steeds steun nodig van de ander, ik gebruik graag een spiekpapiertje. Ik begrijp de ander wel. Ik heb steun nodig van de ander maar neem af en toe zelf initiatief. Ik kan het gesprek eenvoudig zelf beginnen, voeren en afsluiten. Ik kan gedeeltelijk herhalen wat de ander heeft gezegd om aan te geven dat ik het begrepen heb. Ik kan improviseren als het nodig is, soms op een minder elegante manier, en kan goed ingaan op wat de ander zegt.
Ik aarzel heel vaak; ik heb tijd nodig om te bedenken hoe ik iets moet zeggen of uitspreken. Ik aarzel nog regelmatig. Ik moet vaak een zin opnieuw formuleren. Ik ben goed te volgen. Al en toe moet ik even pauzeren om mezelf te verbeteren of de volgende zin te plannen, vooral als ik langer aan het woord ben.  Ik hoef haast niet na te denken hoe ik iets moet zeggen en er zijn nog weinig opvallend lange pauzes.
Ik gebruik "en" en "dan". Ik gebruik "en", "dan", "maar" en "omdat". Ik verbind woorden en stukken zin tot een samenhangend geheel. Ik kan heldere en samenhangende zinnen maken, al lukt het in langere bijdragen soms minder goed.
Door mijn uitspraak ben ik met enige inspanning door de ander te verstaan. Mijn uitspraak is matig. De ander moet af en toe wel vragen iets te herhalen. Mijn uitspraak is duidelijk verstaanbaar ondanks soms een verkeerd uitgesproken woord. Mijn uitspraak is duidelijk en natuurlijk.

TIPS