Gesprekken voeren
|
|
Hoe en waarover voer ik gesprekken? |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| Ik praat over onderwerpen die eenvoudig en heel vertrouwd zijn en die gaan over dingen die ik nodig heb. | Ik praat over onderwerpen die alledaags en vertrouwd zijn. | Ik praat over onderwerpen die mijn persoonlijke belangstelling hebben of die gaan over het dagelijks leven, opleiding, werk of situaties tijdens een reis. | Ik praat over algemene onderwerpen die wetenschappelijk of beroepsmatig van aard kunnen zijn. |
| Ik gebruik vooral (losse) woorden en eenvoudige uitdrukkingen. | Ik gebruik veel voorkomende woorden en uitdrukkingen die ik uit het hoofd heb geleerd over onderwerpen die horen bij dit niveau. |
Ik ken voldoende woorden om eventueel met behulp van omschrijvingen te praten over de onderwerpen op dit niveau. |
Ik ken voldoende woorden om duidelijke beschrijvingen te geven en meningen te verkondigen over de onderwerpen op dit niveau. |
| Ik gebruik een klein aantal eenvoudige grammaticale constructies en uitdrukkingen die ik uit mijn hoofd heb geleerd. | Ik pas eenvoudige grammaticaregels toe maar maak daarbij ook nog veel fouten. | Ik maak gebruik van veel voorkomende constructies en pas de basisgrammaticaregels behoorlijk goed toe. | Ik kan ook meer ingewikkelde grammaticaregels redelijk correct gebruiken en herstel fouten vaak uit mezelf. |
| Ik heb steeds steun nodig van de ander, ik gebruik graag een spiekpapiertje. | Ik begrijp de ander wel. Ik heb steun nodig van de ander maar neem af en toe zelf initiatief. | Ik kan het gesprek eenvoudig zelf beginnen, voeren en afsluiten. Ik kan gedeeltelijk herhalen wat de ander heeft gezegd om aan te geven dat ik het begrepen heb. | Ik kan improviseren als het nodig is, soms op een minder elegante manier, en kan goed ingaan op wat de ander zegt. |
| Ik aarzel heel vaak; ik heb tijd nodig om te bedenken hoe ik iets moet zeggen of uitspreken. | Ik aarzel nog regelmatig. Ik moet vaak een zin opnieuw formuleren. | Ik ben goed te volgen. Al en toe moet ik even pauzeren om mezelf te verbeteren of de volgende zin te plannen, vooral als ik langer aan het woord ben. | Ik hoef haast niet na te denken hoe ik iets moet zeggen en er zijn nog weinig opvallend lange pauzes. |
| Ik gebruik "en" en "dan". | Ik gebruik "en", "dan", "maar" en "omdat". | Ik verbind woorden en stukken zin tot een samenhangend geheel. | Ik kan heldere en samenhangende zinnen maken, al lukt het in langere bijdragen soms minder goed. |
| Door mijn uitspraak ben ik met enige inspanning door de ander te verstaan. | Mijn uitspraak is matig. De ander moet af en toe wel vragen iets te herhalen. | Mijn uitspraak is duidelijk verstaanbaar ondanks soms een verkeerd uitgesproken woord. | Mijn uitspraak is duidelijk en natuurlijk. |





