Lezen
|
|
Hoe en wat lees ik? |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| Ik lees alleen hele korte teksten over practische zaken en over vertrouwde alledaagse situaties, bijvoorbeeld op borden langs de weg. | Ik lees over onderwerpen die alledaags, bekend en vertrouwd zijn, zoals advertenties, korte berichten en teksten met info. | Ik lees teksten die gaan over vertrouwde, alledaagse of aan school of werk gebonden onderwerpen, zoals kranten, mails, leuke boeken en teksten. |
Ik lees met gemak teksten over eigentijdse problemen, stukken in kranten, boeken, en allerhande (literaire) teksten. |
| Ik ken een klein aantal woorden en eenvoudige uitdrukkingen. De zinnen in de teksten zijn kort en eenvoudig. | Ik ken veel voorkomende woorden en woorden die ik uit mijn eigen taal al ken of internationale woorden die vaak gebruikt worden. De zinnen zijn eenvoudig en helder van opbouw. |
Ik heb een woordenschat die toereikend is om over deze onderwerpen te lezen. Ik kan de betekenis van onbekende woorden wel afleiden uit de rest van de tekst. |
Ik ken zoveel woorden dat ik geen beperkingen meer ervaar bij het lezen van teksten. |
| Ik begrijp een tekst vooral door de foto's en tekeningen die erbij staan. | Ik begrijp wel zo ongeveer in grote lijnen waar teksten over gaan. Ik word daarbij geholpen door de indeling in alinea's en kopjes boven stukken tekst. |
Ik begrijp hoofdzaken en ook details redelijk goed omdat de tekst goed gestructureerd is. | Ik begrijp ook ingewikkelde teksten als ik tenminste specialistische woorden kan opzoeken (internet, woordenboek). |
| De teksten zijn kort. | De teksten zijn kort. | De teksten kunnen ook langer zijn. | Tekstlengte speelt geen rol meer. |





